Levende Geschiedenis en Cultuur

Levende Geschiedenis

Wierden

Het wierden/terpenland aan de waddenkust is een van de oudst bewoonde gebieden van Nederland. De wierden zijn de Groningse term voor woonheuvels (terpen). Al ver voor de christelijke jaartelling zijn de eerste huiswierden opgeworpen in het oude zeekleigebied langs de waddenkust. De Romein Plinius de Oudere schreef over deze omgeving in de Naturalis Historia (77 na Chr.): “Twee keer per etmaal komt de Oceaan daar met geweldige watermassa’s over een onmetelijke afstand opzetten en bedekt eeuwig door de natuur omstreden gebied waarvan het onduidelijk is of het bij het vaste land behoort of deel uitmaakt van de zee. Daar bewoont dat arme volk hoge heuvels of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste waterstand die ze hebben meegemaakt. Met hun hutten die ze erop hebben gebouwd lijken ze wel zeelieden wanneer water het omringende land bedekt, maar schipbreukelingen wanneer het water zich heeft teruggetrokken.”

Vanaf de 6e eeuw voor Christus, zijn de wierden geleidelijk ontstaan in kweldergebied door de aanslibbing van door de zee gevormde vruchtbare grond. Deze grond vormde een lage kwelderwal, oftewel oever langs de waddenkust waar vissers en boeren zich vestigden. Door de stijgende zeespiegel en de regelmatige overstromingen waren de boeren tot na de Middeleeuwen gedwongen deze wal steeds verder op te hogen tot wierden om daarop hun hun huis en vee te redden.

Verschillende van deze wierden zijn samengegroeid tot een dorpswierde. Vanaf het jaar 1000 verlieten boeren de dorpswierden weer voor een plaats in het open land, waar zij steeds weer nieuwe huiswierden hebben opgebouwd voor hun boerderij met bijgebouwen.

Alleen al in Groningen zijn zo’n 590 wierden geteld, terwijl er nog steeds nieuwe worden ontdekt, waarvan de meeste in de loop der tijd overslibd zijn geraakt. 

De bloeiperiode van de wierden eindigde na de Val van Rome. Vele mensen kwamen op drift tijdens de Grote Volksverhuizing (tussen de 4e en 6e eeuw na Christus) en mengden zich zodoende met de huidige wierdebewoners. Na de kerstening vanaf de 8e eeuw na Christus zijn op veel van de dorpswierden kerken gebouwd.

Daarnaast zijn er ook zogenaamde wierdenrijen, zoals de naam al aangeeft een strook land waar her en der ophogingen te zien zijn. Bijvoorbeeld op de noordelijke uitloper van de Hondsrug (langs het Reitdiep) rondom Sauwerd en Winsum.

Kerstening tot Reformatie in Noord Groningen (en Friesland)

Bonifatius (geboren rond 672 en vermoord in 754 na Christus) was een missionaris uit het tegenwoordige Engeland, die samen met andere verkondigers het christendom verkondigde in de noordelijke streken van Groningen en Friesland. Hij werkte in opdracht van de paus als ‘ontginningsbisschop’ en was tegelijk een verlengstuk van het gezag van de Frankische koning, die in deze tijd het huidige Friesland en Groningen veroverde. Germaanse rituelen en gebruiken werden fel bestreden en hij doopte bewoners die zich bekeerden tot het Christendom. Uiteindelijk is hij, samen met 52 volgelingen, in de buurt van Dokkum overvallen en omgebracht. Of het hierbij om de buit ging of religieus geïnspireerd was is niet duidelijk. Na de moord en heiligverklaring van Bonifatius heeft het christelijke geloof zich snel gevestigd.

Middeleeuwse kloosters in Groningen (en Friesland)

Rond het jaar 1000 na Christus ontdekten de ‘schier’ monniken de waddenkust om er klooster voorwerken te bouwen. 

In de 11e en 12e eeuw stond het monastieke leven in bloei in het noorden. Een cisterciënzerklooster werd gesticht in de twaalfde eeuw in Klaarkamp bij Rinsumageest. Van hieruit werden vele andere kloosters opgericht, onder andere bij Bolsward (1190), Aduard (1192) en Gerkesklooster (1249). Nog weer andere kloosters in Dokkum (voor 1175), Morra (voor 1240) en Niawier (voor 1215). Hierdoor kwam een groot deel van de kerkenbouw tot stand.

Na de Reformatie en de Beeldenstorm in de 16e eeuw verdween de kloostercultuur vrijwel geheel uit de noordelijke provincies. Hier en daar aan de dijk vind je nog oude huizen die gedeeltelijk gebouwd zijn met kloostermoppen.

Middeleeuwse kerken in Groningen

De eerste houten kerken verschenen vanaf de 8e eeuw in- en misschien soms op de plaats van Germaanse heiligdommen en vanaf de 11e eeuw werden deze kerken van steen gemaakt.

Van ongeveer 400 middeleeuwse kerken zijn in noord Groningen en Friesland nog restanten of zelfs hele gebouwen te vinden. In tal van dorpjes staan deze 12e, 13e en soms zelfs 11e eeuwse bouwwerken. Dit is uniek omdat nergens ter wereld zo’n hoge dichtheid aan middeleeuwse kerken te vinden is als hier, vooral in Groningen.

Eerste bedijking en drooglegging

Naast kerkenbouw namen de monniken vanaf de 11e eeuw het voortouw in de bedijking en inpoldering van het Waddenkustgebied; zij worden gezien als de pioniers voor de ontwikkeling van waterwerken in Nederland. Als grootgrondbezitters hadden zij hier direct belang bij. Vanaf die tijd is er binnendijks geen getijdenwerking meer tussen Leeuwarden, Groningen en de Friese en Groninger kust. Toch kun je aan de wierden, terpen en de vele kronkelende wegen nog altijd zien waar ooit de geulen en de zandplaten van de vroegere Waddenzee hebben gelopen.

Ondanks de bedijking bleven overstromingen het land in latere eeuwen regelmatig teisteren, zodat de mensen dan weer hun toevlucht tot de wierden en terpen moesten nemen. De kerstvloed van 1717 heeft zijn sporen achtergelaten in het landschap. Zie ook https://www.hogelandfilms.nl/Films/waatersvloed_1717.html

Borgen

De politieke macht lag in de 17e eeuw volledig bij de provinciale adel van Groningen. De meeste grond kwam in handen van de hoofdelingen, later Ommelander Jonkers genoemd, die dit aan de boeren verpachtten. Daarnaast bezaten de jonkers heerlijke rechten op het gebied van rechtspraak, waterstaat en kerkelijk bestuur.

De Jonkers woonden sinds de late middeleeuwen in een borg, een versterkt kasteel of burcht, omzoomd door een gracht. De borgen verloren hun militaire functie en werden omgebouwd tot deftige buitenverblijven met mooie tuinen. Na 1750 verloor de adel snel aan invloed ten gunste van de boerenstand. Veel van de resterende borgen raakten in verval of werden na 1800 afgebroken.

De meeste van de nog bestaande borgen zijn niet van binnen te bezichtigen, omdat ze nu een andere functie hebben of niet meer bestaan. Dit zijn de ‘Allersmaborg’ vlakbij Ezinge; de ‘Breedenborg’ in Breede (vlakbij Warffum); de ‘Rensumaborg’ in Uithuizermeeden. Landgoed ‘Ewsum’ in Middelstum heeft alleen nog een tuin en een theeschenkerij in het koetshuis. De landgoederen ‘Ewsum’, ‘Allersmaborg’, ‘Rensumaborg’, ‘Ekenstein’ zijn nog wel toegankelijk voor wandelaars.

De ‘Piloersmaborg’ in Den Ham, ook wel bekend als de ‘Hamsterborg’, is de enige overgebleven boerderijborg in Groningen. 

De ‘Menkemaborg’ in Uithuizen – de mooiste borg in Noord Groningen – bestond al in 1400 maar is in 1614 gerestaureerd en verbouwd tot haar huidige uiterlijk. Deze borg en Landgoed ‘Verhildersum’ in Leens zijn nog te bezoeken als historische attractie en museum.

Boerderijen

De welvaart van de boerenstand uitte zich in de bouw van grote statige boerderijen, ‘heerden’ vaak benoemd naar de familienaam b.v. de ‘Stoepemaheerd’ in Zuurdijk. In de omgeving staan kop-hals-rompboerderijen waarbij het huis via een lagere passage (de hals) verbonden is met de schuur. Een variant hierop is de ‘Hogelandse’ boerderij waarbij de ‘kop’ dwars voor de hals en de schuur is gebouwd. Het ‘dwarshuis’ is van voren gezien dus breder. De meer statige herenboerderijen zijn te zien in het gebied tussen de dorpen Warffum en Uithuizen (via Usquert).

Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden de traditionele kop-hals-rompboerderijen en rentenierswoningen vervangen door eigentijdse villa’s, voorzien van een siertuin in Engelse landschapsstijl. Het groeiende aantal landarbeiders vestigde zich in achterafstraatjes van de oude dorpen en in nieuwe nederzettingen, zoals Kleine Huisjes.

Wemen

Tenslotte zijn er in dit gebied ‘wemen’, pastorieboerderijen. Een weem is een aan de kerk of de pastoor of kapelaan toebehorend stuk boerenland, vaak gesitueerd naast en tegenover een kerk. Zo heet het (voormalige) kerkhof van Vliedorp ook nu nog Ol Weem (oude weem). Monumentale voorbeelden zijn ’t Sael’, ‘Groot Wetsinge’ en de opnieuw opgebouwde weem in Westeremden, waar het Museum Helmantel is. 

Molens

In de Marne en daarbuiten zijn diverse molens te zien: stellingmolens en grondzeilers. Sommige zijn in het weekend te bezoeken, zeker als de molen draait en/of de vlag uithangt. De ‘grondzeilers’ genoemd, zijn meestal alleen op afspraak geopend.